Opbrengst van een zonnepaneel

 

De opbrengst (=hoeveelheid geproduceerde elektriciteit) van een zonnepaneel wordt bepaald door de hoeveelheid instraling die het zonnepaneel kan opvangen. Het geleverde vermogen van een zonnepaneel is recht evenredig met de instraling, maar neemt af met een toenemende celtemperatuur. Met andere woorden: hoe meer zoninstraling, hoe meer stroom er opgewekt kan worden. Echter, hoe warmer de celtemperatuur van het zonnepaneel, hoe lager de omzetting. De opbrengst hangt af van:

  • de zoninstraling: de hoeveelheid opvallend zonlicht.
  • de opwaartse hellingshoek: de hoogste opbrengst wordt in Nederland verkregen bij een hellingshoek van 36°. Bij hellingshoeken tussen de 20° en 60° is de jaaropbrengst slechts 5% lager.
  • zijwaartse hoek: deze hoek is in Nederland het meest optimaal wanneer het paneel stationair gericht is op 5° ten westen van het zuiden.
  • de lichtbelemmeringshoek: Deze hoek moet op dakvlakken kleiner zijn dan 15°.
  • oriëntatie (oost, west of zuid).
  • oppervlakte van de zonnecellen en modules.
  • Watt-piek (=piekvermogen): het elektrisch vermogen dat een zonnecel levert bij een instraling van 1000W/m² en een cel temperatuur van 25 graden Celsius.
  • Schaduw: een zonnepaneel die beschaduwd wordt kan minder stroom geleiden, hetgeen leidt tot een meer dan evenredig verminderde opbrengst doordat de panelen veelal in serie zijn geschakeld. Denk bij schaduw niet alleen aan schaduw van overhangende takken of een dakrand, maar ook aan schaduw als gevolg van hoge gebouwen in de omgeving.
  • Celtemperatuur: laat voldoende ventilatieruimte rond de panelen, zodat die hun warmte kwijt kunnen. Hogere temperatuur zorgt namelijk voor lagere elektriciteitsopbrengst.
  • Kwaliteit (materiaal) van de zonnecel